Nieuwe toekomst voor Delfzijl-Noord

'Het verleden is de rommelzolder van gisteren, de begraafplaats van eerder en de hemel van vroeger', aldus de Groninger schrijver Ubbo-Derk Hakholt. De uitspraak is zeker van toepassing op de wijk Delfzijl-Noord, waar de toekomst werd ingehaald door de eigen tijd om in snel tempo geschiedenis te worden.

Spoor
De spoorlijn was lange tijd de noordelijke begrenzing van Delfzijl. Tussen rails en dijk graasde wat vee, en dat was dat. Het rijtje huizen dat voor de oorlog parallel aan het spoor werd gebouwd, verstoorde de rust niet echt. Maar in de naoorlogse jaren veranderde dat in sneltreinvaart. In geen enkele plaats werd zo snel én veel gebouwd als in Delfzijl. Voor het stadje aan de Eems leek dan ook een gouden toekomst weggelegd.

Dromen van welvaart
Dat optimisme was gebaseerd op een toevallige gebeurtenis: bij Winschoten boorde de NAM in 1951 naar aardolie, maar trof in plaats daarvan een enorme ondergrondse zoutvoorraad aan. In 1952 werd begonnen met de winning. Een sodafabriek, waar het zout kon worden verwerkt, zou het beste dichtbij aan zee kunnen liggen. Niet alleen om het vervuild afvalwater te lozen – milieuwetgeving was nog toekomstmuziek – maar ook om het eindproduct gemakkelijk te kunnen exporteren. Als vestigingsplaats kwam daarom Delfzijl in beeld. Met de opening van de Koninklijke Nederlandse Soda Industrie (een voorloper van AkzoNobel) begon in 1957 een droom van welvaart en vooruitgang.

Honderdduizend zielen
De sodafabriek trok al snel andere industrieën en bedrijven aan. Na het aanboren van aardgas bij Slochteren in 1959, raakte de industrialisering van Delfzijl pas echt in een stroomversnelling. Werknemers van de – toekomstige – industrie moesten natuurlijk ook ergens wonen. Door de gemeente en Woningstichting Delfzijl (een voorloper van Acantus) werd ten noorden van de spoorlijn koortsachtig gebouwd om de stroom van fabrieksarbeiders te kunnen huisvesten. Zo'n vierduizend woningen verrezen in de wijk Delfzijl-Noord, onderverdeeld in buurten. Eén daarvan was de Landenbuurt, waar de straatnamen getuigden van een internationale blik. Telde Delfzijl in 1950 zo’n 10.000 inwoners, in 1966 was dit aantal bijna verdubbeld. Vlak voordat de 20.000ste inwoner werd verwacht, luchtte burgemeester A.P.J. van Bruggen zijn hart in het Nieuwsblad van het Noorden: ‘Het overschrijden van de grens van 20.000 inwoners betekent, dat we definitief afscheid nemen van het gezellige havenplaatsje van vroeger. (...) Het belangrijkste aspect is wel, dat je nu reeds moet bouwen aan een stad met honderdduizend zielen.'

Zeepbel
De door de burgemeester genoemde ‘honderdduizend zielen’ bleek al gauw te hoog gegrepen blijken. Om een lang en onaangenaam verhaal kort te maken: de economische ontwikkeling stagneerde in de jaren zeventig, het inwonertal van Delfzijl begon in de jaren tachtig fors te dalen. Waren dat er op het hoogtepunt 25.000, in het jaar 2000 waren er nog maar 18.500 Delfzielsters. Weer graasde het vee De oplossing om leegstand en verpaupering te bedwingen, was rigoureus: slopen. Ook wanneer het nog vrij nieuwe woningen betrof. 'Met kattenvoer laat geen tijger zich bedwingen', al weer volgens de schrijver Ubbo-Derk Hakholt. Ook de Landenbuurt moest er aan geloven. Vanaf 2012 graasde er wéér vee – Schotse Hooglanders en wat schapen – op een lege vlakte waar eerst flats en rijtjeswoningen stonden. In afwachting van andere, betere tijden.

Schrijversbuurt
Die betere tijden lijken nu aangebroken. Op de plaats van de voormalige Landenbuurt verrijst de nieuwe Schrijversbuurt. De inspiratie voor straatnamen komt nu van dichter bij huis: Groninger schrijvers en dichters worden er geëerd. Eén van hen is Jan Plenter (1921-2005), die schreef onder de pseudoniemen Haarm Diek en – jawel – Ubbo-Derk Hakholt. Aan de Jan Plenterstraat werden in oktober 2015 door Acantus zestien woningen opgeleverd. Het bijzondere is dat dit de eerste huizen zijn gebouwd volgens 'aardbevingsbestendige normen'. Altijd weer die toekomst...

Panorama vanaf de Vennenflat richting Delfzijl-Noord. De foto is gemaakt in 1970. (Collectie: gemeentearchief Delfzijl)